Dutch From Zero logo Dutch From Zero

REFERENCE A1 · A2

Dutch Irregular Verbs: Simple Past and Past Participles

The verbs you need most, with the forms you need most. Search for any form in Dutch or English, and press play to hear all four forms.

InfinitiveEnglishPast (ik, hij)Past (wij, zij)ParticiplePerfect with
beginnen to beginbegonbegonnenbegonnenzijn
begrijpen to understandbegreepbegrepenbegrepenhebben
bezoeken to visitbezochtbezochtenbezochthebben
bieden to offerboodbodengebodenhebben
blijven to staybleefblevengeblevenzijn
breken to breakbrakbrakengebrokenhebben / zijn
brengen to bringbrachtbrachtengebrachthebben
denken to thinkdachtdachtengedachthebben
doen to dodeeddedengedaanhebben
dragen to carry, to weardroegdroegengedragenhebben
drinken to drinkdronkdronkengedronkenhebben
eten to eatatatengegetenhebben
gaan to goginggingengegaanzijn
geven to givegafgavengegevenhebben
hangen to hanghinghingengehangenhebben
hebben to havehadhaddengehadhebben
helpen to helphielphielpengeholpenhebben
heten to be calledheetteheettengehetenhebben
houden to hold, to keephieldhieldengehoudenhebben
kiezen to choosekooskozengekozenhebben
kijken to look, to watchkeekkekengekekenhebben
komen to comekwamkwamengekomenzijn
kopen to buykochtkochtengekochthebben
krijgen to get, to receivekreegkregengekregenhebben
kunnen can, to be able tokonkondengekundhebben
lachen to laughlachtelachtengelachenhebben
laten to let, to leavelietlietengelatenhebben
lezen to readlaslazengelezenhebben
liggen to lie (be lying)laglagengelegenhebben
lopen to walkliepliepengelopenhebben / zijn
moeten must, to have tomoestmoestengemoetenhebben
mogen may, to be allowed tomochtmochtengemogenhebben
nemen to takenamnamengenomenhebben
ontbijten to have breakfastontbeetontbetenontbetenhebben
rijden to drive, to ridereedredengeredenhebben / zijn
roepen to call, to shoutriepriepengeroepenhebben
schrijven to writeschreefschrevengeschrevenhebben
schrikken to get a frightschrokschrokkengeschrokkenzijn
slapen to sleepsliepsliepengeslapenhebben
sluiten to closeslootslotengeslotenhebben
snijden to cutsneedsnedengesnedenhebben
spreken to speakspraksprakengesprokenhebben
springen to jumpsprongsprongengesprongenhebben / zijn
staan to standstondstondengestaanhebben
sterven to diestierfstiervengestorvenzijn
trekken to pulltroktrokkengetrokkenhebben / zijn
vallen to fallvielvielengevallenzijn
vangen to catchvingvingengevangenhebben
vergeten to forgetvergatvergatenvergetenhebben / zijn
verkopen to sellverkochtverkochtenverkochthebben
verliezen to loseverloorverlorenverlorenhebben
vertrekken to leave, to departvertrokvertrokkenvertrokkenzijn
vinden to findvondvondengevondenhebben
vliegen to flyvloogvlogengevlogenhebben / zijn
vragen to askvroegvroegengevraagdhebben
wassen to washwastewastengewassenhebben
weten to knowwistwistengewetenhebben
willen to wantwildewildengewildhebben
winnen to winwonwonnengewonnenhebben
worden to becomewerdwerdengewordenzijn
zeggen to sayzeizeidengezegdhebben
zien to seezagzagengezienhebben
zijn to bewaswarengeweestzijn
zingen to singzongzongengezongenhebben
zitten to sitzatzatengezetenhebben
zoeken to look forzochtzochtengezochthebben
zwemmen to swimzwomzwommengezwommenhebben / zijn

How to use this list

Prefixes follow their base verb. Opstaan goes like staan: ik stond op, ik ben opgestaan. Meenemen goes like nemen: ik nam mee, ik heb meegenomen. Verbs with be-, ver- or ont- add no ge-: begrijpen → begrepen.

Some verbs are mixed. Lachen, vragen, wassen, zeggen and heten have one regular part and one irregular part: vragen, vroeg, gevraagd.

Hebben or zijn? Where both appear, use zijn when there is a destination or a change (Ik ben naar huis gelopen) and hebben for the activity itself (Ik heb veel gelopen).