Dutch From Zero logo Dutch From Zero

A1 → A2 WORKBOOK LESSON 5 / 17

Dutch Perfect Tense, Part 2: Hebben or Zijn and Tricky Participles

What did you do this weekend? Answer it the Dutch way.

The essentials

In A1 you built the perfect tense: hebben or zijn in second place and the past participle at the end, Ik heb gewerkt. This lesson fixes the three things that trip people up next: hebben or zijn with movement, separable verbs and verbs without ge-.

Core rules: moving to a place takes zijn, the activity alone takes hebben. A separable verb gets ge- in the middle: opgebeld. A verb starting with be-, ver-, ont-, her-, ge- or er- gets no ge- at all: betaald.

Monday morning: "Hoe was je weekend?"What to notice
Wat heb je dit weekend gedaan? TranslateWat heb je dit weekend gedaan? - What did you do this weekend?doen → gedaan (irregular)
Zaterdag ben ik laat opgestaan. TranslateZaterdag ben ik laat opgestaan. - On Saturday I got up late.separable, with zijn
Ik heb mijn moeder opgebeld. TranslateIk heb mijn moeder opgebeld. - I phoned my mother.separable: ge- in the middle
We zijn naar het strand gefietst. TranslateWe zijn naar het strand gefietst. - We cycled to the beach.a destination: zijn
Zondag heb ik mijn oma bezocht. TranslateZondag heb ik mijn oma bezocht. - On Sunday I visited my grandma.be-: no ge-

Hebben or Zijn with Movement

Verbs like fietsen, lopen, rijden, zwemmen and wandelen can take either. Ask one question: does the sentence say where to? A destination or direction → zijn. Just the activity → hebben.

VerbThe activity: hebbenTo a place: zijn
fietsen Ik heb een uur gefietst. TranslateIk heb een uur gefietst. - I cycled for an hour.Ik ben naar huis gefietst. TranslateIk ben naar huis gefietst. - I cycled home.
lopen Wij hebben veel gelopen. TranslateWij hebben veel gelopen. - We walked a lot.Wij zijn naar het station gelopen. TranslateWij zijn naar het station gelopen. - We walked to the station.
zwemmen Zij heeft in de zee gezwommen. TranslateZij heeft in de zee gezwommen. - She swam in the sea.Zij is naar de overkant gezwommen. TranslateZij is naar de overkant gezwommen. - She swam to the other side.
rijden Hij heeft de hele dag gereden. TranslateHij heeft de hele dag gereden. - He drove all day.Hij is naar Utrecht gereden. TranslateHij is naar Utrecht gereden. - He drove to Utrecht.
wandelen We hebben in het park gewandeld. TranslateWe hebben in het park gewandeld. - We walked in the park.We zijn naar het dorp gewandeld. TranslateWe zijn naar het dorp gewandeld. - We walked to the village.
Always zijn: gaan, komen, blijven, zijn, worden, and verbs of change such as beginnen, vertrekken, verhuizen, gebeuren, opstaan: De les is begonnen. Wij zijn verhuisd.

Separable Verbs: Ge- Goes in the Middle

A separable verb builds its participle from the base verb, then puts the prefix back in front: op + gebeld = opgebeld. The base verb keeps its own pattern, regular or irregular.

InfinitiveParticipleExample
opstaan opgestaanIk ben om acht uur opgestaan. TranslateIk ben om acht uur opgestaan. - I got up at eight o'clock.
opbellen opgebeldHij heeft zijn zus opgebeld. TranslateHij heeft zijn zus opgebeld. - He phoned his sister.
afspreken afgesprokenWe hebben om drie uur afgesproken. TranslateWe hebben om drie uur afgesproken. - We arranged to meet at three.
meegaan meegegaanBen je meegegaan naar de markt? TranslateBen je meegegaan naar de markt? - Did you go along to the market?
opruimen opgeruimdWij hebben de keuken opgeruimd. TranslateWij hebben de keuken opgeruimd. - We tidied up the kitchen.
aankomen aangekomenDe trein is om tien uur aangekomen. TranslateDe trein is om tien uur aangekomen. - The train arrived at ten o'clock.
uitgaan uitgegaanZaterdag zijn we uitgegaan. TranslateZaterdag zijn we uitgegaan. - On Saturday we went out.
💡 Hebben or zijn belongs to the whole verb. Staan takes hebben, but opstaan is a change of position, so it takes zijn: Ik ben opgestaan.

No Ge- after Be-, Ver-, Ont-

Verbs that start with an unstressed be-, ver-, ont-, her-, ge- or er- never add ge-. Everything else works as usual: -t or -d by 't kofschip, or an irregular form.

InfinitiveParticipleExample
betalen betaaldMijn vriend heeft de rekening betaald. TranslateMijn vriend heeft de rekening betaald. - My friend paid the bill.
bezoeken bezochtIk heb mijn oma bezocht. TranslateIk heb mijn oma bezocht. - I visited my grandma.
vertellen verteldZij heeft een grappig verhaal verteld. TranslateZij heeft een grappig verhaal verteld. - She told a funny story.
verkopen verkochtHij heeft zijn auto verkocht. TranslateHij heeft zijn auto verkocht. - He sold his car.
ontmoeten ontmoetIk heb een nieuwe collega ontmoet. TranslateIk heb een nieuwe collega ontmoet. - I met a new colleague.
herhalen herhaaldDe leraar heeft de vraag herhaald. TranslateDe leraar heeft de vraag herhaald. - The teacher repeated the question.
beginnen begonnenDe film is om acht uur begonnen. TranslateDe film is om acht uur begonnen. - The film started at eight o'clock.
gebeuren gebeurdWat is er gebeurd? TranslateWat is er gebeurd? - What happened?
verhuizen verhuisdWij zijn vorig jaar verhuisd. TranslateWij zijn vorig jaar verhuisd. - We moved house last year.
💡 Reflexive verbs in the perfect take hebben, with the pronoun right after it: Ik heb me verslapen. Hij heeft zich gehaast. For the past forms of 60+ irregular verbs, see the irregular verbs list.

How to Actually Talk About Your Weekend

Dutch colleagues ask Hoe was je weekend? every Monday. Answer with a few perfect-tense sentences: say heb or ben early, then the details, and close with the participle. Decide hebben or zijn by asking: did I go somewhere, or did something change?

When you tell a longer story, Dutch often switches to the simple past after the first sentence. That is lessons 6 and 7; for a quick answer to "what did you do?", the perfect is all you need.

Real-life note: Ik heb lekker niks gedaan ("I did absolutely nothing, and it was nice") is a perfectly good Dutch answer to Wat heb je gedaan?
COMMON MISTAKES

Mistakes English Speakers Make

English uses "have" for every verb and has no prefix rules, so these four slips are the ones to watch.

✗ Ik heb mijn moeder geopbeld. ✓ Ik heb mijn moeder opgebeld.

In a separable verb, ge- goes between the prefix and the verb.

✗ Ik heb de rekening gebetaald. ✓ Ik heb de rekening betaald.

No ge- after be-, ver-, ont-, her-, ge- and er-.

✗ Ik heb naar huis gefietst. ✓ Ik ben naar huis gefietst.

Moving to a place takes zijn.

✗ Ik heb om acht uur opgestaan. ✓ Ik ben om acht uur opgestaan.

Opstaan is a change of position, so it takes zijn.

PRACTICE

A2 Lesson 5 Practice

Choose one activity below. Questions reuse words from the A1 course and A2 lessons 1 to 5.

Option 1: Choose The Past Participle

Separable? Ge- in the middle. Be-, ver-, ont-? No ge-.

Question 0/8 Score 0