A1 → A2 WORKBOOK LESSON 13 / 17
How to Use Er in Dutch: Er Is, Er Zijn and Ik Heb Er Twee
A tiny word with three big jobs. Talk about your home and your street.
The essentials
Er is one of the most frequent words in Dutch. At A2 it has three jobs: er is / er zijn ("there is / there are"), er with a number (Ik heb er twee, "I have two (of them)"), and er for a place you just mentioned ("there").
Core rule: to say that something exists somewhere, use er is (one thing) or er zijn (more things) with an indefinite noun: een, geen, a number, or no article.
| Job | Example |
|---|---|
| there is | Er is een bakker om de hoek. |
| there are | Er zijn twee slaapkamers in ons huis. |
| a question | Is er een apotheek in de buurt? |
| with geen | Er is geen melk meer. |
| with a number | Hoeveel kinderen heb je? Ik heb er twee. |
| for a place | Woon je in Utrecht? Ja, ik woon er al vijf jaar. |
Er Is, Er Zijn and Er + Other Verbs
Er is and er zijn introduce something new. For something the listener already knows (de, het, mijn), leave er out: De bakker is om de hoek. Dutch also uses er with verbs of position such as staan, liggen, zitten and hangen.
| Example | What to notice |
|---|---|
| Er is een supermarkt in mijn straat. | one thing: is |
| Er zijn veel fietsen in Amsterdam. | more things: zijn |
| Zijn er nog vragen? | question: verb first |
| Er staat een man voor de deur. | standing: staan |
| Er liggen drie boeken op tafel. | lying: liggen |
| Er hangt een lamp boven de tafel. | hanging: hangen |
When a place comes first, er may follow the verb or be left out: In mijn straat is (er) een bakker. Both are correct.
Er with Numbers and Quantities
When you answer with a number or a word like veel, weinig, een paar, geen and leave out the noun, Dutch needs er in its place. English says "I have two" or "I have two of them"; Dutch says Ik heb er twee. Er stands right after the verb.
| Question | Answer with er |
|---|---|
| Hoeveel kinderen hebben jullie? | We hebben er drie. |
| Heb je nog eieren? | Ja, ik heb er nog zes. |
| Hoeveel appels wil je? | Ik wil er vijf, graag. |
| Heb je een fiets? | Ja, ik heb er een. |
| Heb je een pen voor me? | Nee, sorry, ik heb er geen. |
| Zijn er veel toeristen? | Ja, er zijn er veel. |
Er for a Place: There
Once a place has been mentioned, er can stand for it, like an unstressed "there". To stress it or point at it, use daar.
| Example | Which word |
|---|---|
| Ben je in Utrecht geweest? Ja, ik ben er vorig jaar geweest. | er: unstressed |
| Woon je in deze straat? Ja, ik woon er al tien jaar. | er: unstressed |
| Zie je die bank? Daar zit mijn broer. | daar: pointing |
Mistakes English Speakers Make
English has "there is" and "one of them", but no word that works like er. These four slips are the ones Dutch teachers hear most.
✗ Het is een supermarkt in mijn straat.
✓ Er is een supermarkt in mijn straat.
"There is" is er is, not het is.
✗ Hoeveel kinderen heb je? Ik heb twee.
✓ Hoeveel kinderen heb je? Ik heb er twee.
A number without its noun needs er.
✗ Er is de bakker om de hoek.
✓ De bakker is om de hoek.
Er is introduces something new: no de or het.
✗ Er is veel fietsen.
✓ Er zijn veel fietsen.
More than one thing: er zijn.
A2 Lesson 13 Practice
Choose one activity below. Questions reuse words from the A1 course and A2 lessons 1 to 13.
Option 1: Er Is, Er Zijn Or Het Is?
Something exists: er is / er zijn. Describing: het is.
Option 2: Answer With Er
A number without its noun needs er, right after the verb.
Option 3: Type The Missing Word
Er, het, is or zijn? One word each time.